vrijdag 2 december 2016

Martin McKee: toenemende kwetsbaarheid en onzekerheid zijn gevolg van politieke keuzes

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft een gelukkige hand in het kiezen van sprekers voor de jaarlijkse WRR-lezing. Eerder traden Richard Wilkinson en Joseph Stiglitz op. Zie mijn berichten daarover: WRR-lezing over de schadelijke gevolgen van inkomensongelijkheid en Globalization has not always been well managed - Joseph Stiglitz over globalisering en de eurocrisis.

In beide gevallen ging het om waar de WRR bij uitstek voor staat of zou moeten staan: het wijzen op het grote belang van wetenschappelijke onderzoeksresultaten voor het ontwerpen van regeringsbeleid. Van cruciaal belang, juist in een tijd waarin als alternatiefloosheid vermomde ideologische vooringenomenheid hoogtij viert.

En gisteren kreeg deze reeks een voorbeeldig vervolg met de lezing Living on the edge: the growth of precariousness and why it matters for health van Martin McKee.

McKee is een wel heel gerenommeerd onderzoeker op het terrein van de gezondheidszorg en van de effecten van economisch en sociale zekerheidsbeleid op de gezondheid van mensen.

Hier wordt zijn werk aangeprezen in het medisch tijdschrift The Lancet: Martin McKee: champion of public health in Europe. Een citaat over het rampzalige Europese bezuinigingsbeleid:
“Europe's biggest problem right now”, says McKee, “is the maintenance of universal health care in the face of the financial crisis.” And when discussing the financial crisis, rather than confine his thinking to cuts in science funding McKee analyses the macro-picture of why failing austerity measures in Europe are threatening health care. He argues that public health researchers need to challenge the government directly on these issues: “suicide rates have gone up in Europe, but suicide prevention programmes are missing the point slightly—ultimately the government needs to fix the economy”.
In zijn lezing gisteren gaf hij een fraai overzicht van onderzoek naar de negatieve gezondheidseffecten van de versobering van de verzorgingsstaat die de Europese politici nu al jaren najagen omdat daarvoor geen alternatief zou zijn. Ik hoop dat de dia's nog beschikbaar komen (heb de WRR daarnaar gevraagd), maar nu maar even de samenvatting overgenomen zoals hij op de WRR-site staat:
In deze lezing bespreekt Martin McKee waarom kwetsbaarheid en onzekerheid - op gebieden als voeding, huisvesting en werkgelegenheid – meer aan bod moeten komen in het beleidsdebat, als aanvulling op het bestaande denken over de maatschappelijke determinanten van gezondheid en de interactie tussen volksgezondheid en economische ontwikkeling.

Een van de belangrijkste verworvenheden van het naoorlogse West-Europa was het bieden van meer bescherming aan zijn burgers: collectieve bescherming tegen bedreigingen van buitenaf (via de NAVO), maar ook bescherming tegen bedreigingen van binnenuit. In het Verenigd Koninkrijk zijn deze bedreigingen door William Beveridge gevat onder de noemer van de ‘vijf reuzen van het kwaad’ (‘five giant evils’) in de samenleving: armoede (’want’), ziekte (‘disease’), onwetendheid (‘ignorance’), vervuiling (‘squalor’) en ledigheid (‘idleness’). De Europese leiders hadden lering getrokken uit de jaren dertig en veertig en waren vastbesloten niet weer dezelfde fouten te maken. Veel risico’s die voorheen door mensen zelf of in familieverband werden gedragen, werden na de oorlog overgenomen door de staat en de werkgevers. Dankzij de zekerheid die mensen hierdoor kregen, konden zij de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Dit droeg bovendien bij tot aanzienlijke verbeteringen op het gebied van volksgezondheid en welzijn.
Maar herinneringen vervagen. Sinds de jaren tachtig, en met name sinds de financiële crisis in 2008, hebben velen in Europa te maken gekregen met toenemende onzekerheden op het gebied van werkgelegenheid en in sommige landen ook van huisvesting en voeding. In toenemende mate wordt gesproken van ontmanteling van de verzorgingsstaat, waarbij verantwoordelijkheden van overheden worden overgeheveld naar individuele burgers en hun families. Sommige mensen, met name diegenen beschikken over veel economische, maatschappelijke en culturele veerkracht, ervaren dit als toegenomen bewegingsvrijheid. Maar deze veranderingen leiden bij minder goed bedeelden tot groeiende kwetsbaarheid en onzekerheid: zij moeten zich staande houden in een minder voorspelbare, onstabiele situatie, waarin steeds het risico bestaat om geconfronteerd te worden met een inkomensval of om moeilijker te kunnen voorzien in primaire levensbehoeften zoals voedsel en huisvesting.
Martin McKee zal eerst bespreken waarom kwetsbaarheid en onzekerheid op gebieden als voeding, huisvesting en werkgelegenheid meer aan bod moeten komen in het beleidsdebat, als aanvulling op het bestaande denken over maatschappelijke determinanten van gezondheid en de interactie tussen volksgezondheid en economische ontwikkeling. Voorts zal hij de aard en omvang van deze ontwikkeling in Europa schetsen, en laat hij zien dat deze meer omvat dan traditionele sociale hiërarchieën zoals onderwijs en sociale klasse. Aansluitend behandelt McKee de gevolgen voor de gezondheid, waarbij hij zich baseert op internationaal vergelijkend onderzoek en natuurlijke experimenten in Europa. Hij sluit af met de stelling dat de toename van kwetsbaarheid en onzekerheid niet onvermijdelijk is. Er zijn politieke keuzes die samenlevingen kunnen maken, als ze maar bereid zijn om ze te maken.
Het was een indrukwekkend betoog. Van een vriendelijk ogende man die er niet voor terugschrok om zich scherp uit te laten over het hedendaagse neo-liberaal geïnspireerde overheidsbeleid.

Jammer dat het niveauverschil met de discussianten wel erg groot was. Een VVD-Eerste Kamerlid en een D66-wethouder van Den Haag hadden niet meer bij te dragen dan politieke retoriek en partijstandpunten. Dat was een gênante vertoning. Niet passend bij de ernst van de zaken waar het hier om ging.

maandag 28 november 2016

Een God waar je maar beperkt blij van wordt - Een biologische antropologie van de Bijbel - 16

Ik betrapte me er op dat ik na deel I (Genesis: toen het leven moeilijk werd) en deel II (Mozes, Jahwe en het morrende volk: hoe de enige God ontstond) van het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel van Carel van Schaik en Kai Michel de grote lijn wat was kwijtgeraakt. En daarmee was kennelijk ook mijn interesse om verder te lezen wat verminderd.

Maar nu heb ik ook deel III (Koningen en profeten: de moraal komt voortaan van God) gelezen en doe ik een poging om de lijnen van het verhaal weer op te pakken. (Zie Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme voor het vorige bericht in deze reeks.)

Hoe begon het allemaal? Voorafgaand aan de landbouw hadden we de jagers-verzamelaarssamenlevingen met hun egalitaire moraal van samenwerken en delen. En daarmee met hun collectieve onderdrukking van neigingen tot statuscompetitie, conflict en pogingen tot overheersing.

De overgang naar landbouw leidde tot eigendom, grootschaligheid en risico. Dat risico slaat op de toegenomen kans op rampspoeden: mislukte oogsten, epidemieën, conflicten, vijandelijke invallen, moordpartijen en slavernij.

Je moet er even voor gaan zitten om tot je te laten doordringen wat een geweldige indruk dat op mensen moet hebben gemaakt. De uitwerking er van op hun denken is bijna niet voor te stellen.

Maar we kunnen proberen te reconstrueren wat er aan de hand geweest moet zijn. Dat kan, lijkt me, in de volgende zeven stappen.

1. Rampspoed vraagt om een verklaring. Jager-verzamelaars waren er al best goed in om naturalistische verklaringen te vinden voor de gebeurtenissen in hun dagelijkse omgeving. Hun wijze van leven was gebaseerd op een groot reservoir van cultureel gecumuleerde kennis van hun fysieke omgeving (planten, dieren, seizoenen) en van hun eigen groepsleven. Voor zaken die ze (nog) niet begrepen, bedachten ze het ingrijpen van geesten , inclusief geesten van voorouders. Voor de onvoorstelbare grote rampen die zich na de landbouwrevolutie voordeden waren dringend verklaringen nodig. Wat te doen om ze in de toekomst te voorkomen? De naturalistische kennis ontbrak nog. De gebeurtenissen waren te groot om aan "gewone" geesten te kunnen worden toegeschreven. Of aan een god van veel andere goden. Dus drong zich het beeld op van de ene, machtige en gewelddadige God, wiens toorn kennelijk was opgewekt. Het monotheïsme kwam de geschiedenis binnen.

2. De jagers-verzamelaarsmoraal van samenwerken en delen kwam in het gedrang door eigendom, ongelijkheid en grootschaligheid. Maar de emotionele kracht van die moraal was onverminderd groot. Dus werd naar wegen gezocht om die moraal, nu meer expliciet, een nieuwe vorm te geven en daarmee haar geldingskracht te behouden.

3. Dat laatste hield in dat het beeld van de enige God werd gevuld met moraal. En daarmee met de straffende hand. Rampspoed kon daarmee worden gezien als bestraffing voor verkeerd handelen en de moraal zoals overgeheveld naar de regels en voorschriften van die morele God, vertelde wat verkeerd was (het kwade) en wat goed was.

4. Maar de rampen, en dus de straffen, waren zo onvoorstelbaar groot, dat God kennelijk niet alleen een goede God was, de drager van de moraal, maar ook een kwaadaardige en wraakzuchtige. Vandaar al die gruwelijkheden waar de Bijbel over verhaalt. Sla even de citaten op die Van Schaik en Michel aanhalen in hoofdstuk 13 van Bijbelwetenschapper Raymond Schwager en van bioloog en atheïst Richard Dawkins. En lees ook even de opsomming van gruwelijkheden die Maarten 't Hart geeft in het hoofdstuk Zeshonderduizend doden van zijn De Schrift betwist. De Bijbel gelezen en gefileerd. Ik kan het niet laten even te citeren:
En dan moet Bodar beweren dat het lezen van de bijbel een 'afnemend besef van normen en waarden' kan keren, terwijl er zeshonderdduizend mensen zonder enig gewetensbezwaar door God zelf of zijn dienstknechten opgespietst, van de rots af gedonderd, met builenpest geslagen, verbrijzeld, met de scherpte des zwaards afgeslacht, dan wel door speren of tentpinnen doorboord worden. En dan zwijgen we nog over al die gevallen waarin geen aantallen genoemd worden.
5. Grootschaligheid en ongelijkheid samen schiepen de voorwaarden voor de groei van de georganiseerde en gerationaliseerde religie. Er kwamen specialisten die Gods straffen en "tekenen" uitlegden en de regels en voorschriften opstelden waaraan ieder zich moest houden. Een soort proto-wetenschap. Dit gebeurde onder de hoede van de wereldlijke heersers, die met een flinke dosis narcisme voor zichzelf een goddelijke status opeisten en de gehoorzaamheid, ja, zelfs liefde, van hun onderdanen afdwongen.

6. Daarmee hebben we dus de combinatie van de almachtige en gewelddadige God, de morele God en de God die de wereldlijke macht legitimeert. Kortom, een God waar je maar beperkt blij van wordt.

7. In het verdere verloop van de geschiedenis is die priesterlijke proto-wetenschap gaandeweg omgevormd en vervangen door een wetenschappelijker wereldbeeld. Dat uiteindelijk, ik citeer Van Schaik en Michel
in de loop van duizenden jaren de kennis opleverde van wat er werkelijk achter zwaard, honger en pest stak: machtswellust, wanbeheer, klimaatverandering, bodemerosie, plaattektoniek, microben. Ironisch genoeg was het dus de wetenschap die God ontlastte: hij werd vrijgesproken van de verdenking dat hij de impulsieve bruut was voor wie hij altijd was gehouden. Als dat niet geestig is: de wetenschap was een van de krachten die van God de lieve God van nu maakte.
Volgende keer over deel IV. Psalmen, Job en de ontdekking van het hiernamaals: de tweede God in de Bijbel.

zondag 27 november 2016

Zondagochtendmuziek - Patricia Kopatchinskaja plays Bartók 3/3 : sonata for solo violin and more

Veel Bartok de laatste tijd. Vorige week in het lunchpauzeconcert in Tivoli/Vredenburg o.a. de enerverende sonate voor twee piano's en slagwerk, waarvoor, met zeven slagwerkinstrumenten, twee slagwerkers nodig waren, die elkaar zo nu en dan moesten bijstaan.

En deze week de Franse violist David Grimai die de sonate voor viool solo uitvoerde. Spannende muziek. De uitvoering lijkt nogal wat te vragen van de violist. Grimai stond hard te werken.

Hier speelt Patricia Kopatchinskaja ("het "vaatje buskruit") het laatste deel, de Chaconne.

Maar blijf ook even kijken en luisteren naar de twee toegiften die ze geeft. Kopatchinskaja op haar best!

zaterdag 26 november 2016

Is stringent beoordelen van leraren wel zo'n goed idee?

Omdat onderwijs zowel individueel als maatschappelijk zo belangrijk is, wordt er veel onderzoek gedaan naar de factoren die onderwijsprestaties bepalen. Als ik het goed overzie dan heeft dat onderzoek een allesoverheersend inzicht opgeleverd: het is de leraar waar het om draait. Van alles wat je maar kunt bedenken dat de leerprestaties zou kunnen beïnvloeden, blijkt vooral de leraar het verschil te maken.

Het eerder dit jaar verschenen Amerikaanse onderzoek WHAT DO TEST SCORES MISS? THE IMPORTANCE OF TEACHER EFFECTS ON NON-TEST SCORE OUTCOMES toont dat weer eens aan. Het laat zien dat de leraar invloed heeft op de cognitieve resultaten van leerlingen, maar ook op de niet-cognitieve vaardigheden, zoals blijkend uit minder verzuim en minder schorsingen.

Dat pleit er dus voor om te proberen de kwaliteit van
leraren te verhogen. Of om er voor te zorgen dat slechtere leraren niet worden aangenomen of eerder ander werk zoeken. Maar hoe doe je dat? Want wat precies die kwaliteiten zijn van een goede leraar, dat is nog niet zo gemakkelijk vast te stellen.

Wat je natuurlijk kunt doen is leraren stringent beoordelen en dan degenen vragen om ander werk te zoeken die herhaaldelijk slecht beoordeeld worden. Of dat wel of niet goed werkt is nu onderzocht in de eveneens Amerikaanse studie THE COMPOSITIONAL EFFECT OF RIGOROUS TEACHER EVALUATION ON WORKFORCE QUALITY.

Bij die beoordeling ging het om observaties in de klas door de schooldirecteur, om het voldoen aan regels en eisen met betrekking tot omgang met collega´s en bijscholing en om schattingen van de bijdrage aan de leerprestaties.

En wat kwam daaruit? Na verloop van een aantal jaren bleek inderdaad dat meer leraren met slechte beoordelingen waren vertrokken. Operatie geslaagd dus. 

Maar nee, want de verwachting dat de leerprestaties dan ook hoger zouden zijn, bleek niet uit te komen.

Want wat was er gebeurd? Ook de goed beoordeelde en de gemiddeld beoordeelde leraren hadden meer een andere baan gezocht. En gevonden. Waardoor de gemiddelde kwaliteit van het lerarenbestand niet was toegenomen.

De onderzoekers gaan er niet op in, maar wat ligt er meer voor de hand dan te denken dat invoering van zo'n stringent beoordelingssysteem leraren de school uit jaagt? Het is een aanslag op je autonomie. En die autonomie is juist zo wezenlijk voor je als je met hart voor het onderwijs en met hart en ziel voor je leerlingen voor de klas staat. 

Hoe zat dat ook al weer met die intrinsieke motivatie?
Voor de afbeelding zie De onvergetelijke leraar.

donderdag 24 november 2016

Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises

Het blijft wat mij betreft raadselachtig waardoor de financiële crisis van 2008 een groei van de politieke partijen op rechts en zelfs van rechts-extremisme heeft uitgelokt. De crisis was een gevolg van typisch rechts beleid. Van beleid dat op de overtuiging gebaseerd was dat de markt zoveel mogelijk aan zichzelf moet worden overgelaten. Weg met al die overbodige regulering, ook met de regulering van de financiële markt. Ook als het om geld gaat: Greed is good.

Het uitbreken van de crisis en de grootscheepse reddingen van banken door overheden kun je eigenlijk niet anders zien dan als wel heel sterke aanwijzingen dat dat rechtse, neo-liberale beleid niet deugde. En dus zou je verwachten dat de linkse partijen meer de wind in de zeilen zouden krijgen.

Maar het omgekeerde is dus gebeurd. Rechts floreert. Misschien doordat het linkse geluid veel te weinig klonk. In ieder geval geldt dat de sociaal-democratische partijen al zo ver naar rechts waren opgeschoven dat ze op korte termijn moeilijk meer geloofwaardig de weg terug kunnen inslaan.

Maar waardoor dan dat oplevende rechts-extremisme? Hoe dat te verklaren blijft een belangrijke opgaaf.

Misschien het begin van inzicht verschaft de studie Going to Extremes:Politics after Financial Crisis, 1870-2014, ondertussen verschenen in de European Economic Review, die laat zien dat dit niet een incidenteel verschijnsel is. Integendeel: in de onderzochte periode, 1870 - 2014, zijn de financiële crisissen, en niet de gewone economische crisissen, gevolgd door een opleving van rechts-extremisme. Ik citeer kortheidshalve maar even de samenvatting:
After a crisis, voters seem to be particularly attracted to the political rhetoric of the extreme right, which often attributes blame to minorities or foreigners. On average, far-right parties increase their vote share by 30% after a financial crisis. Importantly, we do not observe similar political dynamics in normal recessions or after severe macroeconomic shocks that are not financial in nature.
Vragen die meteen bij je opkomen:
  • Waarom wel bij financiële en niet bij "gewone" economische crisissen?
  • Vanwaar die opkomende neiging om bij het zoeken van zondebokken te gaan wijzen naar minderheden en vreemdelingen? In plaats van naar wat meer voor de hand zou liggen: de bankiers en de politici die die bankiers zo de vrije hand lieten?
Voorlopig heb ik niet meer te bieden dan de verzuchting dat ik het niet goed begrijp.

dinsdag 22 november 2016

Mild zijn voor jezelf doe je niet in je eentje - Over compassietraining als substituut voor sociale contacten

Kun je mild zijn voor jezelf? Jezelf geruststellen en moed inspreken? Of ben je eerder kritisch, zelfs zo kritisch dat je soms een hekel aan jezelf hebt?

Het blijkt dat mensen verschillen in hoe mild of hoe kritisch ze naar zichzelf kijken. En we weten dat mildheid voor jezelf meestal samengaat met mildheid voor anderen, met meer pro-sociaal gedrag en met een hoger welbevinden. Jezelf niet zien zitten maakt ongelukkig.

Vandaar dat Paul Gilbert een mildheids- (of compassie-)training ontwikkelde, die mensen helpt om milder te zijn voor zichzelf en anderen. Ik besteedde daar aandacht aan in het bericht Meer pro-sociaal gedrag door compassietraining.

Maar los van die training, waar zouden verschillen in mildheid en zelfkritiek van af kunnen hangen? Het nieuwe onderzoek Receiving support, giving support, and self-reassurance: A daily diary test of social mentality theory geeft daar een mogelijk interessant antwoord op.

De onderzoekers lieten proefpersonen een week lang een dagboekje bijhouden, waarin ze aan het eind van elke dag rapporteerden hoe mild of zelf-kritisch ze die dag waren geweest, hoeveel steun ze anderen hadden gegeven en hoeveel steun ze van anderen hadden ontvangen.

Voor mildheid/zelf-kritiek werd een sub-schaal van de Self-Criticism/Self-Reassuring Scale gebruikt. Het ging om uitspraken als “I was able to feel lovable and acceptable”, “I encouraged myself for the future” en "I had a sense of disgust with myself", waarvan moest worden aangegeven in hoeverre ze van toepassing waren.

En uitwisseling van (materiële en emotionele) steun werd vastgesteld met een verkorte versie van de Social Provisions Scale, waarin het gaat over uitwisseling van goede raad, emotionele en materiële steun.

Het blijkt dan dat het meer uitwisselen van steun samengaat met meer mildheid en dus minder zelfkritiek. Dit geldt zowel als je personen met elkaar vergelijkt als wanneer je bij personen de dagen vergelijkt. Na een dag met meer uitwisseling met anderen ben je dus milder voor jezelf en voor anderen en heb je minder een hekel aan jezelf.

Omdat uitwisseling van steun een aanwijzing is voor het hebben van positieve sociale contacten, kun je ook zeggen dat het meer hebben van een actief netwerk van positieve relaties, waarin je er voor elkaar bent, het gemakkelijker maakt om milder te zijn voor jezelf en anderen.

Nog anders gezegd, eenzaamheid zal vaak samengaan met zelfkritiek en negatieve gevoelens over jezelf en over anderen.

En dat wijst er weer op dat zo'n compassietraining eigenlijk een substituut is voor positieve sociale contacten. Als die contacten er zijn, heb je een compassietraining niet nodig.

Dat geldt natuurlijk algemener: veel psychosociale problemen, waarvoor we professionele hulp inroepen, zouden zich niet voordoen als we meer in onze natuurlijke sociale omgeving zouden verkeren. De omgeving dus waarin mensen er voor elkaar zijn.

Waarbij ik overigens moet vermelden dat je met dit onderzoek strikt genomen niet kan vaststellen of die sociale contacten ook echt de oorzaak zijn van die mildheid. Het oorzakelijke verband zou ook andersom kunnen liggen: meer mildheid maakt het gemakkelijk om sociale contacten aan te gaan en in stand te houden. Zoals vaker: meer onderzoek zou mooi zijn.

donderdag 17 november 2016

Een evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme (Asperger)

Dat wij mensen zo fundamenteel sociaal zijn, met een groot empathisch vermogen en met het vermogen tot gedeelde intentionaliteit, is het resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaatsgevonden.

In de Paleo Sociale Omgeving hing ons overleven er van af of we wel genoeg samenwerkten en deelden. Dat we overleefden en zelfs zo succesvol dat we ons over de aardbol konden verspreiden, lag er aan dat die sociale vermogens tot gemeenschapsgedrag evolutionair versterkt werden en onze neigingen tot statuscompetitie en tot het vormen van een statushiërarchie verzwakt.

Diezelfde sociale vermogens hielpen om het altijd op de loer liggende statuscompetitiegedrag collectief te onderdrukken. Iemand die toch nog de baas wilde spelen of egoïstisch was, kreeg van de anderen op zijn kop.

Deze bekende inzichten vinden een verdere uitwerking in de nieuwe studie Are there alternative adaptive strategies to human pro-sociality? The role of collaborative morality in the emergence of personality variation and autistic traits.

Want de noodzaak van dat samenwerken en delen in groepsverband hield meer in dan dat iedereen in een-op-een interacties voldoende pro-sociaal was. Ook in de evolutionair oudere statushiërarchieën (het alfa-mannetjes model) bestonden er al de een-op-een allianties. Maar in de menselijke jagers-verzamelaarsgroepen ging het om meer dan dat. Het ging er om de groep in stand te houden en daarvoor was nodig dat iedereen voldoende aan zijn trekken kwam, dat iedereen naar vermogen bijdroeg en dat er rechtvaardig werd verdeeld. Een ingewikkeld groepsproces dus, waarin normen ontwikkeld en onder woorden gebracht werden en waarin op naleving daarvan gelet werd.

En waarin het er dus ook om ging wat iedereen kon bijdragen aan het groepswelzijn en om het belang van die verschillende bijdragen goed te kunnen onderkennen. Het verschil met de toestand van een-op-een allianties maken de auteurs in dit plaatje duidelijk.


In de rechter afbeelding zie je een groepsgebeuren, waarin een samenwerkingsmoraal heerst. En die houdt ook in dat sociaal kwetsbare leden van de groep, die zich waarschijnlijk in een structuur van een-op-een allianties niet zouden kunnen handhaven, bescherming genieten omdat ze wel een bijdrage aan de groep leveren.

Anders gezegd, er kan daardoor een selectie plaatsvinden op een breder repertoire aan sociale vermogens. Er ontstaat een speelveld waarin ook sociale vaardigheden op het groepsniveau, naast die op het een-op-een niveau belangrijk worden en dus gewaardeerd worden. Er is ruimte voor een differentiatie in de vaardigheden en vermogens waarop geselecteerd wordt.

Daarmee komen we op het terrein van de evolutionaire verklaring voor het bestaan van de diversiteit van persoonlijkheidseigenschappen. Denk bijvoorbeeld aan de variatie in creativiteit. Het kan zijn dat een hoge mate van creativiteit voor de overleving van de groep heel belangrijk was, ook als die misschien samenging met eigenschappen die iemand sociaal kwetsbaar maakten. Te denken valt aan eigenschappen die we nu tot de psychische stoornissen rekenen, zoals schizotypie, bipolariteit en obsessiviteit.

Maar in dat artikel werken de auteurs deze gedachtegang in het bijzonder uit voor autisme, maar dan de variant van autisme zonder intellectuele beperkingen (Asperger). En die uitwerking is uiterst fascinerend, Kortheidshalve neem ik hieronder het plaatje over waarin ze een overzicht geven van de bijzondere perceptuele, analytische en sociale vaardigheden die met autisme samenhangen.


Waarna de auteurs er vervolgens uitvoerig op ingaan hoe zulke vaardigheden van groot belang geweest moeten zijn voor het functioneren van die jagers-verzamelaarsgroepen, voor het verwerven en cumuleren van kennis over de natuurlijke omgeving en over de interne sociale mechanismen. In zekere zin was dat domein van de samenwerkingsmoraal precies het ideale speelveld voor de intelligente autist. (Nu geen tijd om daar verder over uit te weiden, maar ik neem me voor om er nog een keer op terug te komen.)

Waardoor autisten waarschijnlijk cruciale bijdragen leverden, die ook door de andere leden van de groep konden worden onderkend. En waardoor de (vele) genen die met autisme samenhangen succesvol aan volgende generaties werden doorgegeven. Kortom, een interessante evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme.

dinsdag 15 november 2016

Competitieve videogames versterken agressieve gevoelens en daardoor meer agressief gedrag

Mensen zitten zo in elkaar dat ze zowel in staat zijn tot gemeenschapsgedrag (pro-sociaal gedrag) als tot statuscompetitiegedrag. En te verwachten valt dat ze meer voor het ene dan wel het andere gedrag kiezen, hoe meer ze dat gedrag in hun omgeving waarnemen (Dual Mode-theorie).

Nu is er naast de "echte" omgeving ook de kunstmatige omgeving waar mensen zich in begeven als ze videogames spelen. De vraag is dan of het competitie-element in zulke videogames er ook toe leidt dat mensen die daar veel tijd aan besteden, competitiever worden.

Eerder onderzoek wijst er op dat dat inderdaad zo is. We zagen dat het veel spelen van competitieve videogames adolescenten agressiever maakt. Zie het bericht Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief.

Dezelfde onderzoekers komen nu in een nieuwe studie (The Longitudinal Association Between Competitive Video Game Play and Aggression Among Adolescents and Young Adults) tot hetzelfde resultaat.

Ze volgden een groep van jongvolwassenen en een groep van adolescenten gedurende vier jaar, waarbij ze hen jaarlijks ondervroegen. Het blijkt dan dat de mate van fysiek en verbaal agressief gedrag in het vierde jaar, uiteraard, sterk voorspeld wordt door de mate van agressief gedrag in de voorgaande jaren. Maar tegelijk is er een, geringere, maar significante invloed van hoeveel tijd er in die voorgaande jaren is besteed aan het spelen van competitieve videogames. Waarbij het overigens geen verschil maakt of die games gewelddadig zijn of niet. Het gaat om het competitie-element.

Bovendien laten de onderzoekers zien dat er een tussenliggende factor is, namelijk de mate van agressieve gevoelens. Die werden gemeten met een verkorte versie van de Buss en Perry Aggression Questionnaire, waarvan je hier de volledige versie kunt bekijken. Het gaat om uitspraken als "Soms voel ik me een vaatje buskruit dat op het punt staat te ontploffen" en "Ik vraag me af waarom ik me soms zo woedend voel over dingen", waarvan je moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn.

Mensen zijn tegelijk de meest zachtaardige en de meest kwaadaardige diersoort op aarde. Het is dus van groot belang om die zachtaardige kant zoveel mogelijk te versterken en die kwaadaardige kant zoveel mogelijk de kop in te drukken.

Maar het bestaan en de bloei van die bedrijfstak van competitieve videogames (en van competitieve televisieprogramma's) wijst er op dat we ons daar met zijn allen niet voldoende van bewust zijn.

maandag 14 november 2016

Floyd Henry Allport (1890 - 1979) over hoe kinderen zouden moeten opgroeien

(Voor email-abonnees: Dit is het volledige bericht dat 
eerder per abuis in onvoltooide vorm verstuurd werd.)

Onze kinderen groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor ondervinden ze maar weinig van de coöperatieve zorg die voor de evolutie van de mensheid zo kenmerkend is geweest. In plaats daarvan brengen ze uitzonderlijk veel tijd door samen met alleen de eigen ouders en in de "gespecialiseerde" en "kunstmatige" arrangementen van kinderopvang en school. Waardoor ze ook historisch gezien uitzonderlijk veel tijd doorbrengen onder leeftijdsgenoten.

Er is op dit blog allerlei onderzoek voorbijgekomen dat er op wijst dat deze omstandigheden niet zo gunstig zijn voor een gelukkige jeugd en voor een goede sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Het is niet voor niets dat we de omvangrijke sector kennen van de jeugdzorg, de opvoedinterventies , de kinder- en jeugdpsychiatrie en de kinderbescherming,

Dat onderzoek is vaak nog maar van recente datum. Scrol eens door de berichten op dit blog achter de labels cooperative breeding, sociaal isolement van gezinnen, buurten voor kinderen en mythe van de opvoedbaarheid.

Dat sociaal isolement van gezinnen is natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Hoewel het vermoedelijk in de tweede helft van de vorige eeuw in een versnelling is gekomen (denk aan
Tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 gestegen - Nee, dat is geen gunstige ontwikkeling), is het een proces dat al langer aan de gang is.

Dat doet vermoeden dat het ook al wel eerder is opgemerkt. En dat vermoeden werd bevestigd toen ik weer eens het boek Institutional Behavior. Essays Toward a Re-Interpretating of Contemporary Social Organization van Floyd Henry Allport (1890 - 1979) uit mijn boekenkast trok. Het verscheen in 1933, maar ik kocht in 1975 de editie van 1969. Dat was toen ik nog mijn naam en het jaartal van aanschaf in mijn boeken noteerde. (Hier de bron van de foto van Allport.)

Floyd Henry Allport was een broer van Gordon Allport (zie het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact) en die twee samen mag je wel tot de grondleggers van de sociale wetenschappen rekenen.

In hoofdstuk XVI (Manifoldness and unity in the life of a child) van dat boek gaat Allport in op de voorwaarden voor een gunstige persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen. Ruim tachtig jaar geleden; lees even mee met een aantal citaten. (Voor de leesbaarheid kort ik de alinea's wat in.)
Of all the phases of the problem of child development perhaps the least understood and the most neglected is that of children's personalities. Our attention has been given to the more specific needs of children rather than to the more general. In schools, in scouting groups for recreation, in church schools for moral training, in medical clinics for health, in psychological clinics for mental hygiene, our assumption has been that, in caring for the child in these particular ways, we are helping him te develop as a complete and wholesome personality. Just what this personality is, however, and how it is fostered by such departmentalized procedures, no one has as yet clearly revealed.(...)
The trend within all the agencies just mentioned is to make individuals better adjusted, as we say, to society, and hence, by the same token, more like one another. Those unique patterns of qualities which make one person different from every other are often neglected. If children's personal characteristics develop, the result may, in some cases, be reached in spite of our welfare and educational agencies rather than through their aid.
Parafraserend: we hebben het leven van onze kinderen in partjes opgedeeld. Voor elk van hun behoeftes is er een aparte voorziening. Die tegelijk voor ieder kind gelijk is.
The problem is becoming more acute at present because of the increasing compartmentalization in the lives of both children and of adults. Our grandparents, with all their intellectual and material limitations, and their superstitions, were probably at least unique individuals. Their individuality could be felt and cultivated through characteristic modes of self-expression which they maintained throughout the community where they lived.
Nowadays most of us do not live in communities in the older sense, but in many diverse patterns and sets of relationships; and the members of one of these groupings seldom meet the members of another or know them as individuals.
In each group there are stressed certain values, traits of character, abilites, and approved forms of conduct which in other groups are ignored and sometimes flatly contradicted. The ethical code which a child learns in Sunday school is not the same as that which he is likely to practice in selling magazines. The standards pertaining to the boy or girl scout organizations are difficult to apply to the situations of a classroom. The virtues demanded at home are frequently different from those which bring an individual success upon the playground or a member of a club of gang. (...)
The reason for all this is the fact that, under conditions of modern social organization, persons who have to do with but a portion of life are banded together to direct children with regard to that particular segment, and at times and places separate from the ministrations of those concerned with other segments.
This process tends to separate the segmental interests of a child from his life as a whole, and to set these isolated interests upon a plane of importance superior to that of the entire individual. Both children and adults are members of a society which is becoming a pattern of social institutions rather than a community of freely mingling and interacting individuals. (...)
if all our habits were so compartmentalized, we should indeed have no general and characteristic traits of personality. We should then be creatures of specific situations. Such inconstancy, however, probably results from our growing modern tendency to segregate ourselves into different groups for different purposes. These groupings become institutionalized; their members do noy move about freely and intermingle as in the older days of community living.
Since people stay, as it were, in their fixed ruts, there is little opportunity for them to see one another as complete individuals in a variety of differing situations (...)
Conclusie:
in order to foster the development of consistent traits we must prevent the experience of a child from being broken up into group situations of institutional alignments which have nothing in common. We must permit him to react in a community situation where certain other individuals are present in many relationships of life, and not merely upon isolated occasions and in specialized roles such as those of teachers, playgroup leader, minister, and employer.
The principle of unity among manifoldness can best be provided by responses to the behavior of other human beings who do not shift kaleidoscopically with every situation, but who, in the role of of common stimulus maintain a constancy of their presence and their personalities throughout.
If this view is correct, our tendency to employ experts and specialists for each phase of a child's activity and each of his needs may, if carried too far, entail more harm than benefit.(...)
it will be better for the parent not to leave the affairs of teaching solely to the teacher, but to allow his own influence to carry over into the educational field. It will be better if the teacher is not alone a dispenser of knowledge, but a companion on the playground, an adviser in economic relationships, and a friend whose personality may at times be felt even within the sacred precincts of one's home.
In order to help the child to develop individuality, to be himself in all situations, and to provide his own standard of conduct rather than shift with the code of each grouping with which he happens to be in contact, we must fight against the segmentalizing of human living. We must restore a more fluid, face to face relationship, - a community of whole individuals in which unique and self-consistent behavior shall be possible of attainment.
En Allport besluit het hoofdstuk met:
Freedom to choose one's companions and one's activites, freedom to try different modes of response without fear of ridicule or intimidation in the name of the group, freedom to meet individuals not in compartments, but in the fulness of their communal living, - these are the conditions upon which the achievement of personality depends.
Wijze woorden, ruim tachtig jaar geleden opgeschreven. Uit een andere tijd, een tijd waarin de sociale wetenschap zich nog moest gaan ontwikkelen. Maar blijvend actueel.

zondag 13 november 2016

Zondagochtendmuziek - Philip Glass Eerste Vioolconcert - Karen Comyo met het Residentie Orkest o.l.v. Brad Lubman

Philip Glass schreef zijn Eerste Vioolconcert in 1987 en het werd een van zijn populairste werken. Dat het populair zou worden, was ook de bedoeling. Glass zelf daarover:
I wrote the piece in 1987 thinking, let me write a piece that my father would have liked [...] A very smart nice man who had no education in music whatsoever, but the kind of person who fills up concert halls. [...] It's popular, it's supposed to be — it's for my Dad.
Gideon Kremer, die het concert als eerste op de plaat zette, zei er over:
(It) is a work typical of Glass, in which a certain enigmatic drive allows the performer to feel both bound to strict rhythm and free in his fantasy.
Volg de link voor de uitvoering door Karen Comyo met het Residentie Orkest onder leiding van Brad Lubman. Begint na 29:47 minuten. Prachtig!

NTR Podium: Martijn Paddings eerste opera: Laika kijk je op npo.nl:

'via Blog this'